Jezidisch meisje overleden bij brand in tentenkamp in Koerdische Autonome Regio
In een tentenkamp in de Koerdische Autonome Regio (KAR) is recent een jezidisch meisje omgekomen bij een brand. Het tragische incident onderstreept opnieuw de onmenselijke leefomstandigheden waarin duizenden jezidi’s nog altijd gedwongen leven, elf jaar na de genocide in 2014 door zogeheten Islamitische Staat (ISIS).

De genocide op de jezidi’s, gepleegd door ISIS in augustus 2014, leidde tot de moord op duizenden mannen en de ontvoering, verkrachting en slavernij van vrouwen en kinderen. Hoewel ISIS militair is verslagen, is gerechtigheid en herstel voor de jezidische gemeenschap grotendeels uitgebleven.
De stad Sinjar, het historische hart van de jezidische gemeenschap, ligt nog steeds grotendeels in puin. Naast de verwoestingen door ISIS zelf, werd het gebied zwaar beschadigd door internationale coalitiebombardementen. Door gebrekkige wederopbouw, politieke instabiliteit en onveiligheid kunnen veel jezidi’s niet terugkeren naar huis.

Volgens internationale organisaties leven tienduizenden jezidische ontheemden nog altijd in tenten- en vluchtelingenkampen in Noord-Irak. Deze kampen kampen met brandgevaar, slechte elektriciteit, beperkte gezondheidszorg en extreme weersomstandigheden. Branden in tentenkampen komen vaker voor en zijn vaak dodelijk, vooral voor kinderen.
De dood van dit jezidische meisje is geen geïsoleerd incident, maar een symptoom van structureel onrecht. Elf jaar na de genocide leven overlevenden nog steeds zonder veiligheid, waardigheid of toekomstperspectief.


